Wijnen uit Italië

Al vanaf de achtste eeuw voor onze jaartelling wordt er wijn gemaakt in Italië. De benodigde kennis en kunde werden geïntroduceerd door Grieken, Feniciërs, Egyptenaren en Etrusken. De wijnbouw werd geïntegreerd in de Romeinse cultuur en verder verspreid in het Romeinse Rijk, van het hele Middellandse Zeegebied tot in Engeland, Nederland en Duitsland. Aangezien wijn een belangrijk onderdeel was van het dagelijks leven lag het accent eeuwenlang alleen op kwantiteit – iets wat vanwege het klimaat in grote delen van Italië ook buitengewoon makkelijk was. Al helemaal met de productiemethode die de Etrusken al gebruikten: een pergolasysteem waarbij ellenlange druivenranken met zeer veel blad en trossen in bomen werden geleid, met uiteindelijk een gigantische opbrengst. De wijngoederen waren bovendien enorm groot; uniformiteit en eenvoud waren standaard.

Italië bestond tot 1870 uit verschillende koninkrijken, hertogdommen, stadstaten, een kerkelijke staat en twee republieken. Veel grootgrondbezit dus, met weinig vrijheid of uitwisseling van kennis en geen voedingsbodem voor verbetering van de kwaliteit. En ook na de verwoesting die de Phylloxera (druifluis) en vervolgens de beide Wereldoorlogen aanrichtten in het wijnlandschap duurde het nog tot eind jaren zestig van de vorige eeuw voor hier langzaam verandering in kwam. In eerste instantie nog met veel kortzichtigheid. Met grote subsidies werden wijngaarden opnieuw beplant of nieuw aangelegd, maar met als enige doel massaproductie. Dus alweer geen kwaliteit, maar totale anonimiteit. Bedroevend, wanneer je je realiseert dat Italië juist bij uitstek de potentie heeft voor wijnen van klasse en met persoonlijkheid. Het heeft enorme mogelijkheden wat terroirs en klimaat betreft en telt meer dan duizend verschillende druivenrassen, waarvan er veel alleen in Italië te vinden zijn. 

Pas begin jaren tachtig ontstond er een nieuwe generatie wijnmakers en oenologen, zoals Angelo Gaja, Mario Incisa della Rocchetta, Giacomo Tachis, Piero Antinori en Giacomo Bologna. En pas toen werd duidelijk wat er mogelijk is. Eerst vooral nog met de ‘Super Tuscans’, geconcentreerde en op nieuw hout opgevoede Toscaanse wijnen, die niet volgens de geldende regels gemaakt werden en daarom als vino da tavola op de markt moesten komen. Na deze periode van te veel hout, overconcentratie en een te gemakkelijk gebruik van niet-Italiaanse druiven als sauvignon blanc, chardonnay, merlot en cabernet sauvignon is er sinds 2000 duidelijk een balans gevonden. Veel Italiaanse wijnmakers – vaak met hun collega’s uit Barolo en Barbaresco als voorbeeld – zoeken het nu meer in wijnen van afzonderlijke cru’s of percelen, gebruik van streekeigen druivenrassen en houtrijping die is teruggebracht naar normale proporties. Overal in Italië, van noord naar zuid (inclusief de eilanden), vind je nu steeds vaker prachtige, spannende en verfijnde voorbeelden van wijnen die met passie en kennis gemaakt zijn van autochtone en soms vergeten druivenrassen.

Uw winkelwagen is bijgewerkt met uw selectie.

Verder winkelen
Naar Bestellen